deviant art

Deviant Login Shop  Join deviantART for FREE Take the Tour
[x]
Download File
HTML, 17.4 KB
more ▶

More from ~Hauptsturmfuhrer

Featured in Groups:

Details

June 26, 2009
17.4 KB
Thumb

Statistics

Comments: 0
Favourites: 0
Views: 184 (0 today)
Downloads: 4 (0 today)
[x]
De fundamenten van het kasteel Markelot trilden in hun voegen, het feestgedruis was enorm. Heer Deneweth, koning en heerser van vijf uitgestrekte landen had een zware slag thuisgehaald. De belegering van de koningin Van Tieghem en de adelen van Decruynaere was succesvol geweest. De onderhandelingen hadden ervoor gezorgd dat koningin Anne een derde van haar horigen en een groot stuk van haar land afgestaan had aan koning Deneweth opdat de belegering zou stoppen.

“Lang leve koning Deneweth,” riepen de aanwezigen.
“Laat het feestmaal komen,” antwoordde de koning gul. Zijn stem klonk licht. Vele ridders, huurlingen, jonkvrouwen en raadslieden zaten hongerig af te wachten wat Cédric bereid had. Cédric was de beste kok van Markelot en omstreken. Hij kwam als eerste de zaal binnen, gevolgd door vele koksjongens die geurige schalen voor zich uit hielden. Een geroosterd zwijn, overgoten met zoete honingsaus werd voorgeschoteld.
“Ah, monsieur Lefevere,” knikte heer Deneweth, dat ziet er verrukkelijk uit. Cédric groette de koning en keerde in alle stilte terug naar zijn keuken.

“Dat zal smaken!” Riep een huurling luid.
Hij greep meteen een fazant en scheurde een stevige bil van het gebraden beest. Hij stopte ze smekkend in zijn mond en kauwde er stevig op. Het sap liep langs zijn kin.
Heer Deneweth keek de huurling, een gast die in het kasteel verbleef, verbouwereerd aan. De saraceen bleek niet te willen wachten tot iedereen bediend was.
“Heer El Mhassani e Din,” sprak de koning, “dat is niet beleefd.”
De saraceen veegde zijn mond schoon en verontschuldigde zich.
“Typisch,” zuchtten de jonkvrouwen Seynhaeve.
“Wij ridders kennen tafelmanieren,” sprak een ridder.
De jonkvrouwen keken verliefd zijn richting uit. Één van hen, getooid met een hoofddoek, giechelde. Eerst stil, daarna luid. Het gelach hield even aan.
“Genoeg gelachen,” sprak een andere ridder.
Het was een rijke, stoere ridder uit de adelijke familie van Breyne.
Zijn stem klonk zwaarder dan die van de andere ridders.
Ook op het slagveld verkoos deze ridder eerder brute kracht in plaats van elegante zwaardgevechten. Hij was dan ook groter en gespierder.
“Gelijk heb je,” viel ridder Dimi hem in de rede, “Ik zou een toost willen uitbrengen op onze koning.”
De knechten van Cédric hadden alle bekers gevuld met vers bier. De bekers schuimden nog toen Heer Decoo de zijne omhoog hief.
El Mhassani e Din kon alvast weer niet wachten en zijn lippen zogen al aan de goedgevulde pint. Alle ridders volgden het voorbeeld van ridder Dimi.
“Op onze koning,” riep deze.
“Op koning Deneweth,” herhaalden de ridders in koor.
“Op kowing Denewew,” smakte El Mhassani.
“En op ridder Louis,” vulde een ridder aan.
“En op ridder Louis,” herhaalden ook weer de rest.
Enkele jonkvrouwen giechelden weer en gaven Louis een knipoog.
“Zonder de hulp van Louis en zijn leger, het vazalschap Coopman, was de belegering niet zo succesvol geweest,” gaf koning Deneweth toe.
Hij veegde zijn donkere snor schoon en knikte naar Louis.
“Ik was niet zeker in het begin,” gaf ridder Louis toe, “maar mijn goede vriend hier kon me overtuigen.”
“Dus daarom,” zei Dimi weer, “toosten we ook op ridder Leconte.”
Ridder Leconte was inderdaad een goede vriend van ridder Louis. Hij nam het woord maar besefte dat hij eigenlijk nog zijn helm op zijn hoofd had. Hij zette deze af en de koning knikte goedlachs. Een donkere lok halflang zwart haar viel schuin over het gezicht van de ridder.
“Samen kunnen we elke vijand aan,” riep Leconte luid.
Iedereen begon te juichen. Leconte greep Louis met zijn arm en samen dronken ze van hun beker. Ondertussen was iedereen weer gaan zitten en waren de pinten leeg. Cédric beval zijn knechten meteen bij te vullen.

Het feestmaal kwam goed op gang en enkele muzikanten fleurden de zaal op. Een nar liep door de zaal en molenwiekte langs de tafels. Het gerammel van de bellen aan zijn schoenen echode langs de kasteelmuren. De nar liep naar een houten kist die naast de muzikanten stond. Daar rammelde hij even in en haalde er vervolgens een viertal gekleurde ballen uit.
Vrolijk jongleerde de nar met de ballen. Hij stak zijn tong uit en gooide de ballen omhoog. Na ze kundig de lucht in te laten rammelen, ving hij ze keurig weer op. Jonkvrouwe Seyhnaeve keek geboeid naar de nar en klapte in haar handen. Ze lachte luid, rammelde in haar geldbeugel en wierp de nar wat geld toe. De hofnar, Jelle, ging daarna op het bankje bij de muzikanten zitten en sloeg op de tamboerijn.
Het festijn werd plots bruusk gestoord.
“Heer! Heer!”
Luid roepend duwde een raadsman de zware deur van de feestzaal open en liep tot bij de koning, daarbij haast struikelend.
“Welk nieuws brengt u mij, heer Desmadryl?” vroeg de koning.
De raadsman kwam hijgend op adem.
“De ridder,” riep de raadsman luid met schelle stem.
“Bedaar toch, man,” maande de koning. Hij keek Desmadryl aan. Een bezorgde blik lag verscholen tussen de sproeten van de raadsman.
“welke ridder?”
“De …. De …”
Een tweede raadsman kwam de kamer binnen. Hij was een stuk rustiger dan zijn collega. De koning wendde zich tot de tweede raadsman.
“Welk nieuws brengt u?”
“Heer Oderij!” beval Desmadryl, “vertel het onze koning!”
“Goed Ja,” viel Gert - Jan in, “dé ridder is aangekomen.”
“Dé ridder?”
“Ja dé ridder,” klonk Desmadryl scherp.

Verdere uitleg volgde niet. Daar stond hij al. Een harnas dat evenveel blonk als een botsing tussen zon en maan. Een ridder. Niet zomaar een ridder. Hij was niet erg bekend, maar hij was enorm krachtig. Zijn kracht was een groot geheim. De ridder stond in de deuropening en staarde voor zich uit. Hij bewoog geen krimp. Hij was kalm, maar waakzaam.
“Ik pak hem wel!” riep de saraceen enthouisiast en impulsief.
Hij spuugde zijn vlees uit en trok woest zijn kromzwaard. Het lemmet blonk duister en dieper. Donkerder dan de haren van de Oosterse huurling.
Ridder Leconte trok El Mhassani ruw terug omlaag.
“Denk aan de riddercode,” siste hij.

Het was ijzig stil in de kamer. De ridder in de deuropening hoestte even.
Het was een magisch moment.
“Koning Hugo Deneweth,” sprak de ridder koel, “ik kom uw dochter halen.”
Alle blikken bewogen in de richting van Hugo en zijn bloedmooie dochter, vrouwe Allesia.
“Wat bedoelt deze man?” vroeg Allesia argwanend.
Haar donkere ogen keken de ridder minachtend aan. De koning schudde zijn hoofd en een trieste blik lag in zijn gelaat verbolgen.
De nar kwam tussenbeide. Hij rammelde in de kist en nam een toorts. Hij stak ze aan met een fakkel die de kasteelwand verlichtte.
“Jaren geleden,” vertelde de nar, “toen Allesia een baby was, zwierf er een grote draak rond in de omgeving van Markelot.”
De hofhouding keek de nar aan en luisterde aandachtig.
“Ze spuwde vlammen groter dan de grootste katapult.”
Jelle dronk van een beker en spuwde een grote vlam via de toorts.
De hitte was enorm en de harten van de jonkvrouwen gingen sneller slaan.
“De vlammen kwamen harder aan dan de zwaarste steen!”
“En dan?” vroeg hofdame Mathil nieuwsgierig.
“De koning was ten einde raad,” vertelde de nar.
“Maar gelukkig was die ridder er,” wees de koning.
De ridder hoestte opnieuw.
“Ridder verhoest,” schreeuwde de nar, “de gevreesde, magische held van Kortrijk en omstreken!”
“Wat is er zo speciaal aan die ridder dan,” snauwde ridder Leconte.
“Ik verbrijzel hem onder mijn voetzool,” schepte heer Breyne stevig op, zijn hand nonchalant door zijn lange haren kammend.
“Ik rijg hem aan mijn zwaard,” siste El Mhassani.
“Ik kraak zijn botten,” viel ridder Dimi bij.

“Dat dacht je maar,” ging de nar verder.
Hij wees naar twee dames aan het einde van de tafel.
“Wat hebben zij hier mee te maken,” lachte Leconte hardop, “die vrouwen zijn dit kasteel minder waard dan een dukaat!”
“Wij hebben hier alles mee te maken,” giechelde één van de twee dames.
De andere keek gevoelloos voor zich uit. Ze was stevig gebouwd en gooide haar stoel achteruit.
“Je hebt een kier los,” siste ze houterig.
“Niet één maar drie,” lachte de andere.

De ridder hoeste opnieuw en beval de dames. Hij keek ze om beurten aan.
“Vandenddriesche, Houtekier, toon hen je ware gelaat.”
De dames keken elkaar aan en grijnslachten.
“Eindelijk iets te beleven,” gierde de ene het uit.
“Genoeg toneel gespeeld,” knikte de andere.
De dames knikten elkaar aan en begonnen een spreuk te mompelen.
De ridder in het deurgat zette zijn helm af. Zijn halflange haar viel stijl naar beneden. Hij keek de hofhouding aan met half dichtgeknepen ogen.
De dames werden gehuld in een ijskoude stofwolk.
“Heksen!” schreeuwde iemand luid. Het was hofdame Mathilda.
De heksen toonden langzaam hun ware gelaat. De prinses greep haar vader stevig vast en wees de heksen aan. Beide heksen hadden staartjes in het haar. De ene was groot, de andere klein.
“Wist jij hiervan?” vroeg Allesia aan haar vader.

“Nar,” beval de koning, vertel verder.
“Toen de koning ten einde raad was en niemand helpen kon,” sprak Jelle, “bood ridder Mattheo zijn diensten aan. Hij beloofde de draak te vernietigen.”
De heksen gingen bij ridder Verhoest staan. Een koude rilling kroop langs de rug van Louis en Leconte. Ze haatten heksen. Ook de andere ridders stonden met hun mond vol tanden.
Één van de hofdames, Mathilda, kreeg haast een beroerte. Bezorgd sprong ze recht en liep ze op de prinses af. Haar blonde haren hingen warrig voor haar gezicht.
“Blijf uit haar buurt,” gilde ze.

“In ruil voor het doden van de draak,” vertelde Jelle weer, “vroeg Mattheo de hand van Allesia. Hij wou met haar trouwen toen ze een volwassen vrou geworden zou zijn. De koning ging akkoord.”
“Ik hield mijn woord,” zei Mattheo, “ik vroeg de heksen van het Noorden om hulp en zij hielden de vlammen in toom met hun ijsspreuken toen ik de draak aanviel.”
Het was even stil voor iemand verder ging.
“Maar toen brak hij zijn belofte,” zei Mattheo duister, “toen de draak gedood was gebood de koning me het kasteel te verlaten en nooit meer in de buurt van zijn dochter te komen.”
“Omdat je een ketter bent!” riep de koning, “een ridder werkt niet samen met heksen! Je zou op de brandstapel moeten!”
“Ik doodde de draak,” riep Mattheo, “en dat is wat telt.”

“Omdat de koning zijn belofte brak,” sloot Jelle af, “toverden de heksen zich om in hofdames. Als de koning ook maar iets aan iemand vertelde zouden ze de prinses doden.”
De heksen lachten vervaarlijk. Hun tanden blonken koud.
“Het is waar,” snikte de koning, “het spijt me Allesia.”
“En nu ze volwassen wordt,” herhaalde Mattheo, “kom ik ze halen.”

“Niks van!” riep El Mhassani e Din.
Hij trok zijn zwaard opnieuw. Met het zwaard in aanvalshouding sprong hij over de tafel. Heks Houtekier keek de saraceen bedreigend aan.
“Hoe durf je?” kakelde ze.
Met een simpele magische beweging werd het zwaard kouder dan het koudste staal. Het lemmet werd broos en knakte stuk net toen de saraceen op het heksenduo in wou hakken. Verbaasd keek El Mhassani zijn lege hand aan. De ogen van de heks waren vlakbij de zijne.
“Ik kan nog meer bevriezen,” klonk het.
De saraceen trok zich terug en de andere ridders die wilden aanvallen trokken zich terug.
“Prinses Debaveye,” zei ridder Verhoest een laatste maal, “u bent beeldschoon, zoals de heksen het voorspelden. Trouw met me.”

“Wacht.”
Het was de minst stoere ridder die allen verbaasde op dit moment. Ridder Coopman nam zijn zwaard en stapte naar de koning. Hij boog diep en gaf Allesia vervolgens een handkus. Tenslotte draaide hij zich om.
“Zoals de riddercode voorschrijft,” daagde Louis uit, “mag de koning minstens één strijdtest eisen van de ridder voordat deze de hand van zijn dochter krijgt.”

“Zwans niet,” riep Vandendriesche, “de test was het doden van de draak.”
“Dat geldt niet,” verklaarde Louis.
“Hoezo niet,” vroeg Houtekier bot.
“De ridder moet alleen strijden.”
“Aha! Dat klopt!” viel koning Hugo bij, “ik eis een nieuwe test.”

“En wie zal met me strijden?” grinnikte Mattheo.
“Ik,” riepen de ridders Leconte, Decoo en Breyne samen uit.
Ook El Mhassani wou zichzelf voorstellen, maar zijn zwaard was gebroken.
De spanning werd Mathil teveel. Ze viel flauw. De dames Seynhaeve snelden te hulp en goten een kan water over haar hoofd. Door de aanwezigheid van de heksen was het water koud genoeg om haar te wekken.

“Iemand van gelijke kracht,” opteerden de raadsmannen.
“Ik weet het,” opteerde Dessmadryl, “zowel Louis als Mattheo durfden nooit eerder alleen een gevecht aan.”
“Dat klopt,” viel Oderij hem bij, “beiden hebben meestal hulp nodig.”

Mattheo keek Louis aan. Louis keek Mattheo aan. In een fractie van een seconde trokken beiden hun zwaard en stormden ze op elkander af. Desmadryl en Oderij sprongen snel achteruit, de koning beet op zijn onderlip. Weer viel Mathil flauw. Leconte kruiste zijn vingers en Decoo wendde zijn blik af. Ruwe slagen van metaal op metaal volgden elkaar naadlos op. Louis haalde gevaarlijk uit en enkele vonken gleden langs het schild van Mattheo. Mattheo wou een moordende klap uitdelen met zijn schild maar Louis rolde onderuit en mepte met het heft van zijn zwaard tegen de schenen van Mattheo. Het gevecht werd beslissend. Mattheo hakte kruislings voor zich uit maar Louis was hem te snel af omdat hij geen harnas droeg. Een herhaaldelijke reeks slagen van Louis tegen Mattheo’s knie werden te pijnlijk om te trotseren. Mattheo zakte door zijn knieën en Louis greep zijn kans om zijn zwaard om de hals van Mattheo te klemmen.
Hijgend keken de ridders elkaar aan. Mattheo herstelde even en stootte krachtig zijn elleboog in de maag van Louis. Louis hapte om adem en Mattheo herstelde zich in aanvalspositie. Beide ridders sloegen tegelijk hun zwaarden vooruit. Door de kracht werden beide wapens door de kamer geslingerd. Louis kon snel zijn zwaard opnieuw oprapen, maar Mattheo was te traag door zijn harnas, dus trok hij een dolk.
Mattheo verloor zijn overtuiging om te winnen en dat werd hem fataal.
Louis kon Mattheo een tweede maal met enkele kundige slagen ontwapenen.
“Maak hem af!” riep Leconte.
Mattheo viel op de knieën. Het zweet parelde op het voorhoofd van Louis.
Hij omklemde het gevest van zijn zwaard met beide handen.
“Geen genade!” riep iemand op de achtergrond.
Louis gooide zijn zwaard op de grond en draaide Mattheo de rug toe.
“Allesia is vrij,” zei Louis, “Verdwijn nu uit het kasteel en kom nooit meer in de buurt van Markelot. Neem je heksen mee.”

Mattheo gebruikte het zwaard om zichzelf op de been te helpen. Hij twijfelde even of hij Louis nog in de rug zou aanvallen maar besloot het niet te doen. Louis was sterker dan hijzelf. Het gevecht was eerlijk verlopen, hij was geen lafaard geweest. Toen hij de zaal verliet stapte hij langs Louis.
“Waar haal jij die kracht?” fluisterde hij in het oor van Louis, “die kracht om te blijven vechten?”
Louis keek Mattheo aan, “Verdwijn.”
Mattheo riep zijn heksen bij zich en het drietal verliet verslagen de zaal. Nog even keek Mattheo om naar de prinses. Haar zou hij nooit meer terug zien. Daar zou Louis voor zorgen, hij was het zeker. De heksen waren al verdwenen en ridder Verhoest ging als laatste de deur uit. Hij bleef plots stil staan, zijn schouders slap naast zich hangend. Hij moest nog 1 ding weten.
“Waarom schonk je me genade?”
“Je was machteloos,” antwoordde Louis, “er was niet meer nodig dan een zwaard neer te werpen om je terug macht te geven.”
Mattheo draaide zich om en keek Louis diep in de ogen.
Ridder Breyne, groot en machtig, begreep wat Louis bedoelde. Hij maakte zijn gesp los en zijn zwaard viel kletterend op de grond. Het zwaard van ridder Decoo en ridder Leconte volgden.
“Macht is niet het nemen van een zwaard,” zei Desmadryl, “maar het kunnen terzijde leggen van het zwaard.”
:iconhauptsturmfuhrer:
An experiment.

Please give lots of feedback !
No comments have been added yet.

Add a Comment: